Fragmenten
Eerste fragment
“Ik bouwde de harem gestaag uit tot zo’n vijftig jongens. Dat bood aardig wat keus bij elkaar, maar de keizer was dan ook een amoureuze omnivoor. Er waren in de harem Indiërs en Pathanen, Perzen en Osmanen en zelfs een Portugees uit Goa.”
Joesoef de eunuch, haremopzichter
Tweede fragment
“Taman was een van de favorieten van de keizer. Hij was een meester in de liefdeskunst, die Zijne Majesteit altijd wist te bevredigen. Taman had nooit gedacht dat hij, zoon van een ambachtsman, het zover zou schoppen. Hij was zestien toen zijn leven een plotselinge wending nam. De verkenners van de paleiswacht kregen hem in het vizier toen hij aan het baden was in de Jamoena. Ze ondervroegen hem en namen hem mee naar zijn ouderlijk huis, dat hij hun wees. De verkenners meldden zijn vader, een bescheiden sieradenmaker, dat zijn zoon in dienst van de keizer kwam en in het paleis ging wonen. De vader, in de werkplaats met het zweet op zijn voorhoofd, schrok erg, doch verzet was zinloos. Taman kreeg nauwelijks tijd om van zijn vader afscheid te nemen. De haremjagers hadden haast en voerden hem snel af. Ze wilden voorkomen dat de buit hun zou ontglippen.”
“Zijn moeder en zusters hebben zeven dagen gehuild toen zij het nieuws vernamen. Later zijn er nog hofdienaren bij de vader langs geweest. Die hebben hem rijkelijk beloond voor het afstaan van zijn zoon, bij wijze van bruidsschat. Dat was nodig ook, want hij moest het nu zonder diens hulp in de werkplaats doen. Zoals zijn grootvader en zijn vader, was ook Taman voorbestemd om sieradenmaker te worden. Zo ging dat in die kaste van sieradenmakers, in alle kasten van de hindoes. Het zag ernaar uit dat hij die voorbestemming zou doorbreken.”
Derde fragment
“Het is al tegen middernacht wanneer het nagerecht wordt opgediend, huisbereid ijs in de Pakistaanse kleuren groen en wit. De stemming zit er goed in. Mijn moeder kijkt vergenoegd de tafel rond. Sydney vraagt tante Jasmina of zij, naast het bestieren van haar huishouden, haar kleinkinderen en liefdadigheidswerk, nog tijd heeft voor andere liefhebberijen. Zij krast dat ze, als de tijd het haar toelaat, graag poëzie leest. Tante Jasmina is verrukt wanneer blijkt dat Sydney zich ook hierin niet onbetuigd laat. In duet citeren zij de klassieke dichter Amier Khoesro:”
‘Ik speel om de liefde met mijn geliefde. Als ik win is hij de mijne, als ik verlies ben ik de zijne.’
Vervolgens stelt tante Jasmina Sydney de wedervraag of ook hij zich, naast zijn drukke baan als wetenschapper, nog kan vrijmaken voor hobby’s. Sydney denkt even na. Dan beginnen zijn ogen te twinkelen.
‘Ik heb inderdaad één hobby waar ik graag tijd voor vrijmaak.’
‘Dat moet een interessante hobby zijn. Wat is die dan?’
‘Mannen.’
‘Pardon?’
‘Ja, mannen.’
Ik trap Sydney op zijn voet. Hij moet zijn mond houden. Hij speelt met vuur.
‘O, u houdt van schilderen en portretteert mannen, net als in de mogoelperiode?’
‘Nee, ik portretteer ze niet, ik naai ze.’
Ik loop rood aan en wil Sydney nu hard op zijn voet trappen, maar hij heeft inmiddels zijn voeten verplaatst en mijn hak komt met een klap op de marmeren vloer terecht. Dit trekt de aandacht van de anderen aan tafel.
‘Hoe bedoelt u?’
Tante Jasmina doet net of zij Sydney niet goed heeft verstaan.
‘Ik naai mannen, of liever gezegd, ik naai er nu nog maar één.’
“Sydney draait zich terloops even om naar mij. Mijn moeder grijpt in, zegt dat dr. Rice een typisch Amerikaans gevoel voor humor heeft. Maar het is al te laat. Tante Jasmina snerpt nog wat en snakt vervolgens naar adem; de kleindochter van de minister valt in katzwijm; Adnam grijpt naar zijn pistool; mijn vader loopt paars aan, maar kan zich tegenover de minister nog net inhouden; de minister zelf zegt doodkalm dat hij heerlijk heeft gegeten, maar dat het nu toch echt tijd is om op te stappen. Het resterende ijs op de borden smelt langzaam weg.”
