Fragmenten

Eerste fragment

Amsterdam, 1629

‘En wat vindt mijn gewaardeerde collega uit Amsterdam van het voorstel?’

Joos van der Hooghen, de in het zwart geklede burgemeester van Middelburg

en afgevaardigde van het gewest Zeeland, richt zich met een honend

lachje tot zijn medebewindvoerder Hendrick Broen aan de overzijde

van de massieve tafel. De Zeeuwse magistraat vindt de in rap tempo rijk

geworden en in glimmend satijn gehulde Amsterdamse koopman in suiker

en specerijen eigenlijk beneden zijn stand. Maar in de Heren Negentien,

dit eminente bestuur van de Geoctrooieerde West-Indische Compagnie,

zit hij nu eenmaal met deze parvenu opgescheept, zoals hij ook die bijna

onverstaanbare Groninger landjonker aan de bestuurstafel moet dulden. Die

weet nauwelijks hoeveel duiten er in een stuiver gaan, laat staan dat hij enig

benul heeft van trans-Atlantische handel. Waarom de Compagniekamer

van het gewest Stad en Lande deze veredelde roggeboer heeft uitverkoren

als een van hun bewindvoerders is hem een raadsel. Of toch niet helemaal:

zo beweren vooral boze Friese tongen dat na een paar goede graanoogsten

de jonker zijn zetel aan de bestuurstafel van de Heren Negentien eenvoudigweg

zou hebben gekocht.

tweede fragment

 

De overtocht, najaar 1629

 

Gabriël Crul is amper zeventien als hij zich laat ronselen voor de vaart

naar de West. Zijn moeder – een magere weduwe met vijf kinderen – heeft

hem het huis uitgezet. Haar zoon wil niet deugen. Het schamele geld

dat hij in de Amsterdamse haven verdiende met het repareren van zeilen

verbraste en verdobbelde hij in de kroeg. Bovendien kwam hij vaak met

kleerscheuren thuis. ‘Van de giek gedonderd,’ zei hij dan, terwijl hij met

blauwe ogen zijn moeder onschuldig aankeek. Maar iedereen wist dat hij

weer had gevochten.